Gebit

Het paard is een planteneter (herbivoor), wat zichtbaar is in de opbouw van zijn gebit. Met name de kiezen, die een maalfunctie hebben, zijn sterk ontwikkeld en zijn plat op de kauwvlakte. Een paard spendeert relatief veel tijd, tot 16 uur per dag, aan het grazen en fijn malen van zijn voedsel. Paarden hebben net als mensen een melkgebit en een blijvend gebit. Het gebit van een paard bestaat uit de volgende elementen: snijtanden, haak- of hoektanden (alleen bij hengst en ruin aanwezig, een enkele maal vindt men ze ook bij de merrie), melk- of veulenkiezen (in aanleg zijn er 4 per kaakhelft aanwezig, echter de eerste premolaar is meestal niet of slechts rudimentair aanwezig en is dan bekend als ¨wolfskiesje). Deze melkkiezen worden gewisseld en vervangen door de ware kiezen, waarvan er 3 per kaakhelft zijn. Een volwassen paardengebit heeft dus 36 (merrie) tot 40 (hengst) elementen. De meeste paarden hebben een volledig gebit als ze vijf jaar worden. Doordat de wisseling en afslijting van tanden en kiezen van een paard een vast patroon volgen, is de leeftijd van een paard met een redelijke betrouwbaarheid te schatten. De snijtanden en de kiezen groeien, nadat ze hun maximale lengte hebben bereikt op ongeveer 6-jarige leeftijd, langzamerhand uit de tandkas. Tegelijkertijd slijten de elementen aan het kauwoppervlak af als gevolg van het vermalen van het voedsel. Op jonge leeftijd gaat dit proces met een snelheid van ongeveer 2-4 mm per jaar. Als het paard ouder dan zo'n 22 jaar is, gaat het steeds langzamer. Op een bepaald moment is er nog maar zo weinig houvast in de kaak, dat kiezen en/of tanden los gaan zitten, uitvallen of moeten worden verwijderd.

Schatten van leeftijd van een paard aan de hand van het groei- en slijtproces van de tanden

Ieder paard heeft na 9 maanden al zes melktanden. Deze tanden zijn net als bij mensen niet blijvend. Ze worden op 2,5- tot 4,5 -jarige leeftijd gewisseld voor blijvende volwassenen tanden. auw oppervlakken. De buitenkant van de wrijfvlaktes veranderen elk jaar. Bij jonge paarden van een jaar of 5 zijn deze wat ovaal, bij oudere paarden (+ 8) wordt het wat ronder en daarna rechthoekig. De kroonholte is een gaatje dat in de wrijfvlaktes zit (dit hoort zo), en verdwijnen naarmate het paard ouder wordt. Het tandsterretje is een zwart streepje op de bodem van de kroonholte, dat eerst dun is en later ronder wordt. Dit streepje komt door het slijten van de tanden. Een paard dat aftands is, is ouder dan 8 jaar. Na de 8 jaar is het lastig om de leeftijd van het paard goed af te lezen. Sommige paarden krijgen vanaf 10-jarige leeftijd een groef in de buitentand aan de bovenkant. Dit is een schuine streep, die van de bovenkant van de tand naarmate het paard ouder wordt helemaal naar beneden kan doorlopen, waardoor het lijkt alsof de tand is gespleten. Op 20-jarige leeftijd is dit meestal het geval. Niet ieder paard krijgt dit.

0 tot 1 maand De binnentanden zijn aanwezig bij de geboorte, of verschijnen snel daarna. In het midden zit de kroonholte.
1 tot 1,5 maand De middentanden komen door.
6 tot 9 maanden De hoektanden zijn doorgekomen.
3 jaar De middelste melktanden worden op 2,5 -jarige leeftijd vervangen door blijvende tanden. Op 3-jarige leeftijd slijten ze.
4 jaar De middentanden vallen uit als het paard 3,5 is, en worden door blijvende vervangen. Op 4-jarige leeftijd slijten de tanden.
4 t/m 5 jaar De buitenste tanden wisselen van blijvende en de haaktanden zijn doorgebroken. Een vijfjarig paard heeft een compleet gebit.
6 jaar De middelste tanden staan recht op elkaar. De kroonholte is bijna niet meer zichtbaar.
7 jaar De bovenste hoektanden worden haakvormig. De middelste tanden worden nu rond, en de kroonholte is niet meer zichtbaar bij de binnentanden.
8 jaar De tanden staan in een lichte hoek op elkaar, het donkere tandsterretje verschijnt en de kroonholte is verdwenen bij de buitentanden.
10 jaar De binnentanden worden driehoekig. In alle tanden zitten de tandsterretjes. Bij sommige paarden verschijnt nu de groeve op de buitentand.
13 jaar De tanden worden nu nog rechthoekiger. De tandsterretjes zijn groter en ronder, en de tanden gaan in een schuinere hoek staan. De groeve is al op de helft van de buitentand.
20 jaar De tanden staan nu bijna in een hoek van 90 graden. De eventuele groeve lopen nu over de hele lengte van de buitenkant. De wrijfvlaktes zijn driehoekig.

Gebitsproblemen

Een paard met een niet goed functionerend gebit kan onmiskenbare signalen afgeven dat het zich niet lekker voelt. Paard/pony eet hooi voordat hij aan zijn biks begint, laat voedsel vallen tijdens het eten, houdt zijn hoofd schuin tijdens het eten, maakt proppen van zijn hooi en spuugt deze weer uit, vreemde (stinkende) ontlasting (slechte vertering, gewichtsverlies/slechte conditie, slechte adem uit de neus of mond, overtollig speekselen, moeilijk om het bit bij je paard in te doen. Ook kunnen er problemen tijdens het rijden ontstaan zoals wanneer het paard slechte tot geen aanleuning heeft met het bit, wanneer het paard continu zijn hoofd schudt of zijn hoofd kantelt, wanneer het paard aan zijn teugels rukt, wanneer het paard zijn tong uit zijn mond steekt, wanneer het paard steigert en bokt.

Haken

Als bepaalde delen niet of weinig afslijten, groeien deze uit tot haken, scherpe randen of verhogingen ten opzichte van de kauwvlakte en kunnen daardoor de normale zijwaartse en voor of achterwaartse bewegingen van de onderkaak belemmeren. Wolfskiezen zijn kleine kiesjes vóór de eerste kies, meestal in de bovenkaak, maar soms ook in de onderkaak. Ze hebben geen functie en zijn niet bij alle paarden aanwezig. Om te voorkómen dat ze problemen opleveren met het bit, is het verstandig om ze te verwijderen. Bij fokmerries die niet worden gereden is dit dus doorgaans niet nodig. Dit moet wel vakkundig gebeuren, omdat wolfskiesjes klein zijn en makkelijk breken. O)ok restanten van de wortel kunnen problemen geven. Het alleen afknippen van wolfskiesjes is dus niet verstandig! Een blind wolfskiesje is niet meer dan een bultje onder het tandvlees, maar kan behoorlijk pijn doen als het bit erop drukt.

Gebitsafwijkingen

Gebitsafwijkingen moeten door een vakkundige dierenarts worden behandeld. Er zijn ook paardentandartsen, maar deze hebben geen opleiding diergeneeskunde en kunnen bijvoorbeeld geen verdoving (sedatie) toedienen indien dit nodig is. Een gezond jong paard zonder afwijkingen aan de kaakstand, dat voldoende goed ruwvoer te eten krijgt, behoeft beslist geen ¨halfjaarlijkse controle¨ zoals bij de mens te doen gebruikelijk is. Wanneer het paard echter symptomen vertoont zoals hierboven beschreven en/of op hogere leeftijd komt, dan is het verstandig de mond grondig te laten inspecteren en eventueel te laten behandelen. Een ideaal moment hiervoor is bijvoorbeeld tegelijk met de jaarlijkse vaccinatie tegen tetanus en griep. Voor een gebitsinspectie gebruiken we een mondsperder (soort bit met halster) en hiermee kunnen we de mond van het paard openen en veilig met de hand de kiezen goed navoelen tot ver achterin. Vervolgens kunnen we beoordelen of er problemen zijn en hier een eventuele gebitscorrectie op toepassen. Meestal zullen scherpe randen en haken direct behandeld kunnen worden door er een grove rasp langs te halen.